100. Bijbelstudie over het

LASTEREN TEGEN DE HEILIGE GEEST

HAM’GADEF ET RUACH HAQODESH

>dvqh xvr ta [dgmh

 

 

Talrijke gelovigen leven met de angst, dat ze misschien een onvergeeflijke zonde gepleegd hebben. Soms had men er vele jaren grote problemen mee, omdat men meende deze zonde mogelijk begaan te hebben, maar het toch ook niet zeker wist. Deze onzekerheid is knagend en de enige die daar belang bij heeft is de tegenstander, de satan, die uiteraard alles gebruikt om ons geestelijk uit ons evenwicht te brengen en altijd klaar staat om ons schuld aan te praten. Maar waar komt eigenlijk het idee vandaan, dat men misschien bewust of onbewust een onvergeeflijke zonde gepleegd zou hebben? Ik denk dat deze angst haar oorsprong vindt in onder andere de volgende twee teksten.

 

Zonde die tot de dood leidt

 

Laten we beginnen met a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 5:16. Daar staat: “Als iemand zijn broeder of zuster een zonde ziet begaan die niet tot de dood leidt, moet hij voor hem of voor haar bidden en zo de zondaar het leven geven. Dit geldt wanneer er sprake is van een zonde die niet tot de dood leidt. Er bestaat ook zonde die wel tot de dood leidt. In dat geval geldt mijn aansporing om te bidden niet!” Voor alle zonde is vergeving mogelijk, dat hebben we zo geleerd en dat staat ook duidelijk in de Bijbel! Wat je ook gedaan hebt, het doet er niet toe, als je er spijt van hebt en het belijdt, dan mag je altijd om vergeving vragen met beroep op het offer van Yeshua, zelfs plaatsvervangend voor een ander. Maar nu blijkt opeens, dat dit niet altijd opgaat. Hier schrijft Yochanan [Johannes], en dat komt toch best wel keihard over, dat het niet nodig is om voor iemand te bidden die een zonde heeft gepleegd, die tot de dood leidt. Met andere woorden: Je kan bidden tot je een ons weegt, maar deze zonde wordt niet vergeven!!! Wow! Dit komt echt wel hard aan, want dat wil toch echt wel zeggen dat er ook zonden zijn die nooit vergeven worden, en als jij je daaraan schuldig hebt gemaakt, dan heb je echt een probleem dat nooit meer goed komt. Maar over welke zonden heeft hij het hier? Kijk, het daarop volgende vers 17 geeft ons weliswaar een geruststelling, want daar staat: “Alle kwaad is zonde, maar niet elke zonde leidt tot de dood.” Dat is goed om te weten, maar dan weten we nog steeds niet welke zonde dan wél tot de dood leidt. Welke zonde wordt niet vergeven? Het ontbreken van een duidelijke omschrijving zorgt ervoor dat velen aan zichzelf beginnen te twijfelen. En ook vers 18 maakt het er niet beter op, integendeel! Deze tekst versterkt juist het gevoel dat men nu met een groot probleem zit, want daar staat duidelijk: “We weten dat iemand die uit G’d geboren is niet zondigt. De Zoon, die uit G’d geboren werd, beschermt hem, zodat het kwaad geen vat op hem heeft.” Als u Yeshua hebt aangenomen als Heer en Verlosser, dan bent u uit G’d geboren. Maar klopt het dan ook dat u niet zondigt? Volgens mij niet! Als u zegt, dat u niet zondigt, dan durf ik ronduit te beweren dat u liegt, wat op zich ook alweer een zonde is! Sterker nog, u zult daarmee Yeshua zelf tot een leugenaar maken, want in hoofdstuk 1 van de eerste brief van Yochanan [Johannes] staat namelijk in de verzen 8 en 10 geschreven: “Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en de waarheid is in ons niet! - Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot een leugenaar en zijn woord is in ons niet.”

 

Zonden waarvoor er geen offer meer over is

 

Oké, we komen er dus niet onderuit te erkennen dat we nog steeds zondigen, maar dan kunnen we volgens hoofdstuk 5 vers 18 geen kinderen van G’d zijn, want die zondigen niet, en dus blijft de kans overeind staan, dat we misschien toch wel een zonde gepleegd kunnen hebben die niet vergeven wordt en tot de dood leidt. Dit brengt ons geloofsleven natuurlijk wel behoorlijk uit het evenwicht en ontneemt ons elke zekerheid die voor ons vanzelfsprekend was voordat wij deze tekst gelezen hadden. Dit gevoel wordt door ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 10:26-27 nog versterkt: “Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren!” Zoals gezegd vrees ik dat velen van ons zich door deze teksten wel aangesproken voelen en daar een heel naar gevoel aan overhouden, want vrijwel iedereen heeft wel eens gezondigd nadat hij of zij tot erkentenis der waarheid gekomen is en als we heel eerlijk zijn, soms ook opzettelijk. Daarom gaan velen misschien al jaren gebukt onder het juk van de onzekerheid of ze nu wel of niet behouden zijn. Om deze reden is een duidelijke uitleg vanuit G’ds Woord dan ook dringend noodzakelijk, en om te beginnen wil ik u alvast erop wijzen dat het levensgevaarlijk is om geïsoleerde citaten te lezen die uit hun verband gerukt zijn. Laten we derhalve een vaste gewoonte van maken om alle relevante teksten in hun juiste context te lezen, en dat geldt uiteraard ook voor de bovenstaande. We stoppen in Hebreeën 10 dus niet bij vers 27, maar lezen nog een stukje verder. De vraag is namelijk, over welke mensen Sha’ul [Paulus] in deze tekst spreekt. Als we verder lezen wordt hij in de verzen 28 en 29 daarover wat concreter: “Indien iemand de wet van Moshe [Mozes] terzijde heeft gesteld, wordt hij zonder mededogen gedood op het getuigenis van twee of drie personen. Hoeveel zwaarder straf, meent gij, zal híj verdienen, die de Zoon van G’d met voeten heeft getreden, het bloed des Verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft?” Ziet u wat hier staat? Is dit voor u van toepassing? Let wel, in vers 26 gebruikt Sha’ul met betrekking hierop met nadruk het woord ‘opzettelijk’. Mocht u dus nog steeds met de vraag zitten of u zich misschien schuldig gemaakt hebt aan een onvergeeflijke zonde, dan zou het goed zijn om uzelf na het lezen van het bovenstaande de volgende vragen te stellen: Heb ik opzettelijk de wet van Mozes, de Tora, terzijde gesteld en naast mij neergelegd? Heb ik opzettelijk de Zoon van G’d, Yeshua, met voeten getreden, vertrapt en veracht? Heb ik opzettelijk het bloed des Verbonds, waardoor ik geheiligd ben, onrein geacht en ontheiligd? Heb ik opzettelijk de Geest der genade, Ruach haQodesh, gesmaad en veracht? Als u al deze vragen met ‘nee’ hebt kunnen beantwoorden, dan heeft u geen onvergeeflijke zonde gepleegd en in dat geval mag u ervan uitgaan, dat voor alle overige zonden vergeving mogelijk is! Wat een geruststelling! Tussen de verzen 8 en 10 in hoofdstuk 1 van de eerste brief van Yochanan [Johannes], die we zojuist hebben gelezen, staat immers ook vers 9 met een belofte waar wij altijd een beroep op mogen doen: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid!” Wat een opluchting! Laten we daarom ons oor sluiten voor de bangmakerij van de vijand en ons nog meer in G’ds Woord verdiepen! Vandaar deze Bijbelstudie.

 

Afvalligen

 

Ik herhaal derhalve mijn vraag: over welke mensen spreekt Sha’ul [Paulus] hier in Hebreeën 10:26-29? Natuurlijk is zijn brief aan gelovigen gericht en niet aan ongelovigen, dat sowieso, toch deze passage is niet als verwijt bedoeld, maar als waarschuwing om niet dezelfde fout te maken als anderen. Hij heeft het hier over mensen, die na bekeerd te zijn geweest en vervuld met G’ds Geest, zich willens en wetens tegen Yeshua keren, Zijn G’ddelijkheid en Zijn offer op Golgotha ontkennen. Hij spreekt over mensen, die Yeshua in hun hart hadden en de kracht van Adonai in hun leven door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] hadden ervaren, maar zich om de een of andere reden toch van Hem hebben afgekeerd en opzettelijk ontkennen dat wij voor eens en altijd geheiligd zijn door het offer van het lichaam van Yeshua haMashiach en dat Hij hen die zich door Hem laten heiligen door deze ene offergave voorgoed tot volmaaktheid heeft gebracht, zoals geschreven staat in ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 10:10 en 14, waarvan ook Ruach haQodesh [de Heilige Geest] volgens vers 15 voor ons getuigenis aflegt. Door dit willens en wetens te ontkennen wordt de Zoon van G’d daadwerkelijk veracht en vertrapt, het bloed van het verbond onteerd en ontheiligd en de Geest van G’d gesmaad en gehoond. Dat is dus de opzettelijke zonde waar Sha’ul [Paulus] het over heeft in de verzen 26 tot 29 van hetzelfde hoofdstuk. Voor hen blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren. “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest, en het goede woord G’ds en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van G’d opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken!” schrijft Sha’ul [Paulus] in ,yrbi Iv’rim [Hebreeën] 6:4-6. U zult zich nu afvragen: Hoe kan iemand, die ooit door het licht beschenen is, geproefd heeft van de hemelse gave en deel gekregen heeft aan Ruach haQodesh, wie het weldadig woord van G’d en de kracht van de komende wereld ervaren heeft, vervolgens afvallig zijn geworden en zich tegen Yeshua keren? Wel, ik kan u precies zeggen hoe dat kan. Binnen de Messiaanse beweging is de kans dat zoiets gebeurt namelijk vele malen groter dan binnen het christendom. En waarom? Omdat talrijke Messiaanse gelovigen van niet-joodse afkomst te ver doorslaan in hun verlangen om Joods te worden. Om de Joodse tradities en gebruiken beter te leren kennen zoeken zij regelmatig Joodse websites op van voornamelijk orthodoxe signatuur en raken daardoor verstrikt in hun opvattingen en leerstellingen. Sommigen komen op allerlei discussieforums of via Facebook in contact met orthodoxe Joden of ex-christenen, die hen op vermeende tegenstrijdigheden in het Nieuwe Testament wijzen, en worden door hun nieuwe gesprekspartners systematisch zodanig in verwarring gebracht dat ze uiteindelijk zelf ook de betrouwbaarheid van B’rit haChadasha in twijfel trekken en dientengevolge dan ook Yeshua afwijzen. De volgende stap is vaak de Giyur om officieel Joods te worden voor het rabbinaat. Dit komt tegenwoordig wereldwijd steeds vaker voor en ook ik zelf heb het helaas zelfs in onze eigen omgeving herhaaldelijk meegemaakt. De laatste tijd krijg ik opvallend veel mailtjes van mensen die mij met allerlei strikvragen van de wijs willen brengen en komen met talrijke teksten die volgens hun opvatting aantonen dat het Nieuwe Testament in strijd zou zijn met de TeNaCH en eerlijk gezegd moet je inderdaad heel sterk in je schoenen staan en voldoende Bijbelkennis bezitten om deze argumenten te kunnen ontkrachten, want op het eerste gezicht komen ze namelijk heel geloofwaardig over. En wat mij hierbij bijzonder opvalt is het feit dat het hierbij doorgaans niet zo zeer om orthodoxe Joden gaat, maar voornamelijk om mensen met een oorspronkelijk christelijke achtergrond die zelf ook een tijdlang deel uitmaakten van de Messiasbelijdende beweging. Van deze afvalligen zegt Sha’ul in de bovenstaande tekst, dat zij onmogelijk weer tot inkeer worden gebracht; want zij slaan de Zoon van G’d opnieuw aan het kruis en geven Hem prijs aan bespotting en dat is de ergste zonde die je maar kunt bedenken. Daarom schrijft hij in vers 26 van hoofdstuk 10, dat er geen enkel offer voor hun zonden meer mogelijk is wanneer zij willens en wetens blijven zondigen nadat ze de waarheid hebben leren kennen, en om dezelfde reden schrijft ook Yochanan [Johannes], dat wij voor deze mensen niet eens meer hoeven te bidden, want wat zij gedaan hebben is een zonde die tot de dood leidt. Kijk daarom goed uit welke websites u bezoekt en vermijd elke discussie, want voordat u het zelf door hebt wordt u de verkeerde kant op getrokken.

 

Valse leraars

 

Net zoals wij nu om ons heen zien gebeuren had ook Yochanan in zijn tijd veel te maken met dwaalleraars, die aan de Messiasbelijdende gelovigen valse leerstellingen onderwezen en die zelfs willens en wetens het hart van het evangelie durfden te loochenen. Voor deze mensen is volgens Yochanan geen gebed meer nodig, want ze hebben hun keuze al gemaakt en kennen geen berouw. Zij zijn niet meer te redden, maar voor de mensen die door hun leugens misleid en in verwarring gebracht worden, moeten wij natuurlijk wel bidden dat zij tot inzicht komen. Op een bijzonder heldere wijze heeft Yochanan de ware identiteit van deze dwaalleraars, die door iedereen als medegelovigen worden beschouwd, ontmaskerd: “Kinderen, het laatste uur heeft geslagen. Er is u verteld, dat de vijand van de Mashiach zou komen. Weet dan dat er al veel vijanden van de Mashiach zijn opgestaan. Daaraan weten we dat het laatste uur geslagen heeft. Deze mensen zijn uit ons midden voortgekomen maar zij hebben eigenlijk nooit echt bij ons gehoord. Hadden ze bij ons gehoord, dan waren ze wel bij ons gebleven. Maar het ging erom, dat duidelijk zou worden dat ze geen van allen bij ons hoorden. Maar de Heilige, de Mashiach, heeft u gezalfd met de Geest en daardoor bezit u allen kennis. Ik schrijf u niet omdat u de waarheid niet kent, maar juist omdat u haar wel kent en omdat geen enkele leugen uit de waarheid voortkomt. Als er iemand een leugenaar is, dan toch zeker hij die loochent dat Yeshua de Mashiach is. Vijand van de Mashiach is hij die de Vader en de Zoon niet erkent. Iedereen die de Zoon niet erkent, heeft ook de Vader niet, maar wie de Zoon erkent, heeft ook de Vader. En u: zorgt u ervoor, dat de boodschap die u van het begin af gehoord hebt, in u levend blijft. Als dat het geval is, zult ook u in de Zoon en de Vader blijven. En dit is wat Hij ons beloofd heeft: het eeuwige leven! Dat wilde ik u schrijven over hen die u misleiden. En u: de Geest waarmee de Mashiach u gezalfd heeft, blijft in u; niemand hoeft u te onderrichten. Want Zijn Geest onderricht u op elk gebied. En wat Hij zegt is waar en vrij van bedrog. Blijf in Hem zoals Hij u geleerd heeft!” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 2:18-27, Groot Nieuws Bijbel). Door in vers 27 erop te wijzen dat niemand ons hoeft te onderrichten, wil Yochanan echter niet zeggen dat wij helemaal geen leraar nodig zouden hebben, want anders zou Sha’ul in 1 Korinthiërs 12:28 en Efeziërs 4:11 nooit geschreven hebben dat de Eeuwige sommigen in de gemeente als leraars heeft aangesteld. Wat hij daarmee bedoelt, is dat Ruach haQodesh [de Heilige Geest] de enige echte leraar is, die ons op elk gebied onderricht, en dat het onderwijs van de leraren die Hij aangesteld heeft afkomstig moet zijn van diezelfde Heilige Geest. Zo worden degenen die G’d toebehoren toegerust om Hem te dienen en het lichaam van de Mashiach op te bouwen. U ziet dus, dat Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in ons geloofsleven een cruciale rol speelt, want Hij zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel. Hij zal ons de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet op eigen gezag spreken, maar ons alleen dat vertellen wat Hij zelf te horen krijgt, en de dingen die komen gaan, aan ons bekendmaken. Hij zal Yeshua verheerlijken, want alles wat Hij ons bekendmaakt, heeft Hij immers van Hem! (Joh 16:5-14). Door de betrouwbaarheid van Ruach haQodesh in twijfel te trekken en Zijn gezag te ontkennen verwerpt men in feite ook Yeshua zelf, en dat brengt ons naar de volgende teksten die wij nader zullen onderzoeken.

 

Zondigen tegen de Heilige Geest

 

Heeft u wel eens iets gehoord over het zondigen tegen de Heilige Geest? Vast wel! En toch zijn er heel veel mensen, die geen idee hebben wat dit betekent en die zich afvragen of ze dat misschien per ongeluk zelf wel hebben gedaan. Allereerst moeten we daarom even nagaan, wat deze uitdrukking eigenlijk inhoudt. Wat is de zonde tegen de heilige Geest precies? Laten we even kijken wat daarover in de Bijbel staat. In Lucas 12:8-10 zegt Yeshua: “Ik zeg u: Een ieder, die Mij belijden zal voor de mensen, hem zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen G’ds; maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen G’ds. En een ieder, die een woord zal spreken tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen de Heilige Geest zal lasteren, het zal hem niet vergeven worden!” Nu weten we het antwoord op de vraag: het is een zonde die niet vergeven wordt en die dus onder dezelfde categorie valt als de onvergeeflijke zonden die we hierboven al hebben behandeld. Vandaar dus dat sommigen bang zijn de zonde tegen de Heilige Geest te hebben bedreven. Maar wat is de reden waarom deze zonde niet vergeven wordt? Waarin verschilt de zonde tegen de Heilige Geest van andere zonden? We gaan dezelfde tekst nu in Marcus 3:28-30 in een iets andere vorm lezen. Dan wordt het voor ons waarschijnlijk iets duidelijker: “En de schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren, zeiden: Hij heeft Ba’al-Z’vuv [Beëlzebul], en door de overste der boze geesten drijft Hij de geesten uit. En Hij riep hen tot Zich en sprak tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven? En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk zich niet staande houden. En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen bestaan. En indien de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet bestaan, doch is hij aan zijn einde. Maar niemand kan het huis van de sterke binnengaan en zijn huisraad roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden, en dan zal hij zijn huis plunderen. Voorwaar, Ik zeg u, dat alle zonden aan de kinderen der mensen zullen vergeven worden, ook de g’dslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; maar wie gelasterd heeft tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde. Immers, zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.” Deze versie is iets uitgebreider en geeft dus meer informatie. Vooral in dat laatste zinnetje noemt Yeshua een duidelijke reden waarom de zonde tegen de Heilige Geest niet vergeven zal worden, namelijk omdat ze gezegd hadden dat Hij bezeten is door een onreine geest. De Heilige Geest werd door hen voor een onreine geest uitgemaakt en dat is natuurlijk volstrekt onaanvaardbaar. Maar er is nog veel meer aan de hand. De Joodse manier van Schriftonderzoek is tekst met tekst te vergelijken en daarom moeten we altijd kijken waar het nog elders voorkomt in de Bijbel en wat de context is waarin het staat. Daarom gaan we van dit verhaal ook de derde en meest uitgebreide versie erbij halen die in het evangelie van Mattheüs staat en in zijn geheel lezen: “Toen bracht men een blinde bij Hem die bezeten was en niet kon spreken, en Hij genas hem, zodat hij weer kon spreken en zien. Alle omstanders stonden versteld en zeiden: Zou Híj de Zoon van David zijn? Maar de Farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Ba’al-Z’vuv [Beëlzebul], de vorst der demonen! Yeshua wist wat ze dachten en zei tegen hen: Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en geen enkele stad of gemeenschap die innerlijk verdeeld is zal standhouden. Als de satan de satan uitdrijft, keert hij zich tegen zichzelf. Hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? En als Ik inderdaad door Ba’al-Z’vuv demonen uitdrijf, door wie drijven uw eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook uw rechters zijn! Maar als Ik door de Geest van G’d demonen uitdrijf, dan is het koninkrijk van G’d bij jullie gekomen. Trouwens, hoe kan iemand het huis van een sterkere binnengaan en zijn inboedel roven, als hij die sterkere niet eerst heeft vastgebonden? Pas dan zal hij zijn huis kunnen leegroven. Wie niet met Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij samenbrengt, drijft uiteen. Daarom zeg Ik u: elke zonde en elke g’dslastering kan de mensen worden vergeven, maar wie de Geest lastert kan niet worden vergeven. En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon zegt, zal worden vergeven. Maar wie kwaadspreekt van de Heilige Geest zal niet worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de komende!” (vhyttm Matit’yahu [Mattheüs] 12:22-32). Als u het goed gelezen hebt, dan valt het u meteen op dat er in geen enkele van de drie teksten gesproken wordt over 'de zonde tegen de Heilige Geest', maar over het ‘lasteren van de Heilige Geest’. Dat is wel een verschil, want elke zonde is een zonde tegen Adonai en dus ook tegen Ruach haQodesh [de Heilige Geest]. Maar de lastering is een heel ander verhaal en daarom is dat een zonde die niet vergeven wordt. Het Griekse woord dat hiervoor in alle drie versies van dit verhaal gebruikt wordt, is: blasjhmia blasphemia, hetgeen lastering, smaad, spot, hoon en krenking betekent. In het Grieks wordt dit woord zowel voor het beledigen van mensen gebruikt, alsook voor het lasteren en bespotten van een godheid, en dat is nou precies wat hier gebeurd is. Volgens de diverse woordenboeken is het lasteren en bespotten het doelbewust aantasten van iemands goede naam en eer. Lasteren is dus het liegend kwaadspreken en daarmee zwaar beledigen van iemand, en in dit geval dus de Heilige Geest, Ruach haQodesh, want als we de context van alle drie versies van dit verhaal bekijken dan ons valt op dat de Farizeeën in de hierboven geciteerde teksten de bevrijdingen en genezingen die Yeshua verrichtte, doelbewust aan de satan toeschreven en dat Hij de boze geesten juist door de overste der boze geesten uitgedreven zou hebben, wat op zich al niet eens kan. Maar daarmee lasterden ze niet alleen Ruach haQodesh, maar ontkenden met deze lastering zelfs het gezag van Yeshua en Zijn betrouwbaarheid en maakten daarbij ook nog misbruik van hun invloedrijke positie als geestelijke leiders om op deze wijze te voorkomen dat het volk in Hem de beloofde Mashiach zou zien. Het was een gemene leugen en het bewust verwerpen van Yeshua met zo'n beslistheid, dat geen toekomstig berouw mogelijk is.

 

Yeshua willens en wetens verwerpen

 

De zonde tegen de Heilige Geest kan overigens alleen gepleegd worden door gelovigen die Hem kennen en aan wie de Eeuwige keer op keer Zijn macht getoond heeft door het werk van Ruach haQodesh, maar die Hem desondanks om welke reden dan ook opzettelijk en heel bewust lasteren en beledigen. Weet u, als de Eeuwige Zichzelf op zo een geweldige wijze aan iemand openbaart en die persoon schrijft dan vervolgens het werk van de Heilige Geest toe aan de satan, en dat niet uit onwetendheid, maar welbewust, dan bedrijft hij daarmee de zonde tegen Ruach haQodesh. Het gaat bij lasteren tegen de Heilige Geest dus niet om mensen die ongelovig zijn, maar om hen die de Bijbel en dus ook Yeshua haMashiach juist heel goed kennen en zich daar toch met alle kracht tegen verzetten omdat zij blijkbaar tot andere inzichten zijn gekomen. Via reacties op mijn website krijg ik regelmatig met dat soort mensen te maken. De Farizeeën gingen in de zojuist gelezen teksten zelfs zo ver te verklaren dat de Heilige Geest een boze geest zou zijn en ze beschouwden Yeshua als een dienaar van Ba’al-Z’vuv [Beëlzebul], de vorst der demonen in plaats van te erkennen dat de bevrijding die Yeshua voor hun ogen voltrok, het werk van G’d was. Hoe laag kan een mens zinken! Weet u, deze mensen kunnen nog zo vroom doen, maar als iemand de Mashiach bewust afwijst, dan is er voor hem geen verlossing. De Farizeeën wisten precies wat ze deden, want ze kenden de profetieën en hadden vaak genoeg gezien dat Yeshua grote wonderen deed die pasten bij de voorzeggingen over de Mashiach: dat blinden konden zien, doven konden horen en lammen konden lopen. Ze waren getuige dat Hij melaatsen genas en mensen bevrijdde van onreine geesten. Ze wisten dat de wonderen die Yeshua deed, vanuit G’d waren en ze wisten heel goed wie Hij was, want Hij had Zijn ware identiteit herhaaldelijk aan hen bekendgemaakt, maar ze wilden Hem toch niet als de beloofde Mashiach erkennen. De Farizeeën waren mensen die de Tora, de Profeten en de Geschriften heel goed kenden, maar verdraaiden deze waarheiden willens en wetens om het volk voor te liegen. Zij waren schriftgeleerden, maar geen discipelen van Yeshua. Dus wat zij gedaan hadden is al erg genoeg, maar als een afvallige discipel het zelfde doet wat zij deden, dan is dat nog vele malen erger! Als je Ruach haQodesh [de Heilige Geest] hebt ontvangen, dan ben je gezegend, want de Geest der Waarheid heeft je laten zien, dat Yeshua de Weg, de Waarheid en het Leven is. Maar als je Yeshua daarna met die kennis evengoed verwerpt omdat je door welke oorzaak dan ook tot andere inzichten bent gekomen, dan laster jij deze Waarheid. Laat het dus nooit zo ver komen en luister niet naar de listige argumenten van de dwaalleraars, want voor alle zonden is vergeving mogelijk, maar als u de Geest der Waarheid, die u hebt ontvangen, verwerpt, dan verwerpt u ook de Waarheid die Hij aan u bekend gemaakt heeft, en dat zal u nooit vergeven worden omdat immers alleen deze Waarheid u had kunnen redden. Het lasteren van de Heilige Geest is dus niets anders dan het verwerpen van Yeshua met als gevolg dat er voor u geen vergeving meer mogelijk is omdat alleen Zijn bloed ons reinigt van alle zonden (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 1:7) en er onder de hemel geen andere naam gegeven is, waardoor wij behouden moeten worden dan de naam Yeshua (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 4:12). De echte onvergeeflijke zonde is dus het volharden in het stellig ontkennen van deze Waarheid en van de g’ddelijkheid van Yeshua terwijl men eigenlijk beter weet. Voor degenen die nu nog weigeren om Yeshua aan te nemen als hun persoonlijke Verlosser is er nog hoop, want zij kunnen nog van gedachten veranderen en Hem alsnog aannemen. Maar degenen die reeds Zijn discipelen geweest zijn en vervuld waren met de Heilige Geest, maar Hem daarna de rug hebben toegekeerd en er nu alles aan doen om anderen te overtuigen dat de echte Mashiach nog zou moeten komen, zullen volgens de woorden van Yeshua voor deze zonde geen vergeving ontvangen, niet in deze wereld en ook niet in de komende, maar zij zullen de eeuwigheid moeten doorbrengen in de poel des vuurs. Wat een vreselijk vooruitzicht! Dat wens je toch echt niemand toe! Het lasteren van de Heilige Geest en het daarmee gepaard gaande verwerpen van Yeshua is de grootste fout die een mens kan maken in zijn leven, een fout die nooit meer te herstellen is! Laat dit heel goed tot u doordringen voordat u ooit een discussie durft aan te gaan met mensen die een enorme Bijbelkennis hebben en u met allerlei strikvragen en ijzersterke argumenten waar u zo gauw niets op terug hebt ervan proberen te overtuigen dat het Nieuwe Testament niet klopt en in tegenspraak zou zijn met de Tora. Laat u niet in verleiding brengen het Evangelie in twijfel te trekken, dat is letterlijk levensgevaarlijk! Weet u, op het eerste gezicht lijken deze mensen wel een punt te hebben, want er staan inderdaad een aantal ogenschijnlijke tegenstrijdigheden in B’rit haChadasha, maar datzelfde geldt helaas ook voor de TeNaCH inclusief de Tora, want daarin komen we namelijk bij het lezen van de Parasha eveneens heel veel dingen tegen, die oppervlakkig gezien niet kloppen. Als men deze teksten echter vanuit de grondtekst wat nader onder de loep neemt en met andere teksten vergelijkt, dan blijken ze opeens wel te kloppen! Zo heb ik in het kader van mijn Bijbelstudies al vele vermeende tegenstrijdigheden in de loop der jaren kunnen verklaren en de betrouwbaarheid van deze teksten kunnen aantonen. Laat u dus niet door dwaalleraars in verwarring brengen die u van Yeshua willen wegtrekken! Deze mensen weten heel goed waar ze mee bezig zijn en ook de Farizeeën, waar het in de bovenstaande citaten over gaat lasterden de Ruach haQodesh niet uit onwetendheid, want zij kenden Yeshua heel goed en wisten precies wie Hij was, hetgeen één van hen nadrukkelijk in een nachtelijk gesprek aan Yeshua vertelde: “En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Naq’dimon [Nicodemus] een overste der Joden; deze kwam des nachts tot Hem en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij van G’d gekomen zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij G’d met Hem is!” (]nxvy Yochanan [Johannes] 3:1-2) Deze tekst geeft ons inzicht in twee heel belangrijke feiten: ten eerste blijkt hieruit duidelijk dat de Farizeeën wel degelijk wisten dat Yeshua een leraar was die van G’d gekomen is en dat Hij alleen met G’ds hulp de wonderen kon doen die Hij verricht had, en ten tweede blijkt hieruit dat in tegenstelling tot hetgeen velen denken gelukkig niet alle Farizeeën Yeshua hadden afgewezen. Integendeel! Maar Naq’dimon was niet de enige Farizeeër die tot geloof in Yeshua was gekomen. Ook in Handelingen 15:5 wordt gesproken over enkele gelovigen die tot de partij van de Farizeeën behoorden. Het is dus zeker niet de bedoeling om alle Farizeeën over één kam te scheren. Niet allen hadden zich schuldig gemaakt aan de zonde tegen de Heilige Geest, maar alleen degenen die op dat moment aanwezig waren en tegen wie Yeshua Zijn waarschuwende woorden had gericht. Wij hoeven ons daarom in dit verband niet zo zeer op de Farizeeën te focussen, maar eerder alert zijn op de gevaren die voor ons op de loer liggen door de kwade invloeden van de moderne dwaalleraars, vooral op het internet. Kijk uit! Een gewaarschuwd kind telt voor twee!

 

Kan een kind van G’d zondigen tegen de Heilige Geest?

 

Toch zullen sommige gelovigen wellicht ook na het lezen van het voorgaande nog bang zijn dat ze de zonde tegen de Heilige Geest misschien per ongeluk, zonder zich ervan bewust te zijn, gepleegd hebben. Mocht dit ook bij u het geval zijn, dan heb ik goed nieuws voor u, want u kunt namelijk nooit per ongeluk en zonder zich ervan bewust te zijn zondigen tegen Ruach haQodesh. Zoals ik hierboven reeds meerdere malen heb gezegd, kan dit alleen maar willens en wetens, opzettelijk en heel bewust! Het is namelijk een keuze die men maakt en die niet meer teruggedraaid kan worden. Maar nu komen we toch wel even op een ander punt terecht waar hedendaagse gelovigen vaak mee geconfronteerd worden: de vele zogenaamde uitingen en manifestaties van de Heilige Geest in bepaalde christelijke kringen zoals o.a. het ‘lachen in de geest’, het ‘vallen in de geest’, het ‘schudden in de geest’ en noem maar op. Ik ga ze nu niet allemaal opnoemen, maar u begrijpt wel waarover ik het heb. Als u daar twijfels bij hebt en dat ook naar anderen toe kenbaar maakt, dan kan het gebeuren dat men u verwijt te zondigen tegen de Heilige Geest omdat men daar heilig van overtuigd is dat de vreemde verschijnselen in deze samenkomsten het werk van de Heilige Geest zijn, en iedereen die dat in twijfel trekt wordt ervan verdacht  zich daarmee schuldig te maken aan het lasteren van de Geest. Door u op deze wijze een schuldgevoel te laten aanpraten kan het zijn, dat u echt op een gegeven moment gaat leven in de angst deze zonde ooit eens gedaan te hebben door de manifestaties in twijfel te trekken die daar weliswaar aan de Heilige Geest worden toegeschreven, maar die echt nergens in de Bijbel terug te vinden zijn. Deze angst kan ik meteen bij u wegnemen, want twijfelen over of iets wel of niet van G’d komt, staat niet gelijk aan lasteren. Laten we daarover heel duidelijk zijn! Maar hoe kan iemand zeker weten of hij wel of niet een onvergeeflijke zonde heeft begaan? Alleen al het feit dat er in de Bijbel teksten staan over een onvergeeflijke zonde heeft vele mensen onnodig angst bezorgd. Daarom blijft voor velen de vraag: Kan een kind van G’d, dat Yeshua van harte lief heeft, überhaupt de zonde tegen de Heilige Geest begaan, zodat het alsnog verloren gaat? Om daar maar meteen op in te gaan: Nee! Als een kind van G’d Yeshua echt liefheeft, kan het onmogelijk zondigen tegen Ruach haQodesh! En weet u ook waarom niet? Heel simpel! Zij die zich afvragen of zij iets gedaan zouden hebben, dat de Eeuwige niet zou willen vergeven, vertonen juist een totaal andere houding dan de in bovenstaande teksten genoemde Farizeeën, die nadrukkelijk weigerden Yeshua te accepteren als de beloofde Mashiach. Als iemand de waarheid kent, maar het willens en wetens afwijst en zijn geweten het zwijgen oplegt, dan heeft die persoon nooit zijn hart aan Yeshua gegeven en is derhalve ook nooit een kind van G’d geworden. Maar omgekeerd zal een kind van G’d nooit de waarheid afwijzen en daarom kan hij deze zonde niet eens begaan. Kunt u mij volgen? Ieder, die de Eeuwige om vergeving vraagt met beroep op het offer van Yeshua heeft beslist niet de onvergeeflijke zonde bedreven. Echt niet! Dus nogmaals: Kan een kind van G’d zondigen tegen de Heilige Geest? Nee. Wat is een kind van G’d? Is dat iemand die naar de kerk of naar de sjoel gaat, of iemand die in G’d gelooft? Dat sowieso, maar dit maakt iemand nog niet tot een kind van G’d. Het echte kenmerk is namelijk dat hij of zij berouw heeft, zijn of haar zonden heeft beleden en zijn of haar hart aan Yeshua haMashiach heeft gegeven. Dat is een kind van G’d, en wie Yeshua aanvaardt als Verlosser en Heiland, begaat zeer zeker niet de onvergeeflijke zonde. Nee, het zondigen tegen de Heilige Geest is gewoon niets anders dan het willens en wetens blijven ontkennen dat Yeshua de Mashiach is, het vleesgeworden Woord en het onderwijzen van deze valse leringen. Voor zulke mensen is er geen vergeving om de eenvoudige reden dat vergeving van zonden slechts door Zijn offer mogelijk is, en als men dat ontkent, dan houdt het gewoon op. Een echte volgeling van Yeshua zal daarentegen nooit willens en wetens Zijn g’ddelijkheid ontkennen en dat Hij voor onze zonden gestorven is, en daarom kan een kind van G’d niet zondigen tegen de Heilige Geest. Alleen de mensen die bewust en hardnekkig de door hen gehoorde en begrepen Blijde Boodschap van Yeshua haMashiach afwijzen maken zich hieraan schuldig en zullen niet vergeven worden. Iemand die gezondigd heeft tegen Ruach haQodesh kent geen berouw en wil zich ook niet bekeren. Er dreigt dus pas echt gevaar als men voortdurend G’ds wet, de Tora, geweld aan doet en nooit ook maar het geringste beetje spijt over zijn ongehoorzaamheid krijgt, maar zolang u nog spijt hebt van uw overtredingen of nog bang bent dat u misschien de zonde tegen de Heilige Geest gedaan zou hebben, kan er geen sprake van zijn dat u deze zonde daadwerkelijk bedreven hebt. Laat u dat dus ook door niemand wijsmaken! Om deze Bijbelstudie af te ronden willen we nog even kijken wat Sha’ul [Paulus] over de zekerheid van onze behoudenis geschreven heeft. Daar lezen wij o.a.: “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Mashiach Yeshua zijn!” (Romeinen 8:1). “Als G’d vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?” (Romeinen 8:31). “Wie zal uitverkorenen G’ds beschuldigen? G’d is het, die rechtvaardigt!” (Romeinen 8:33). “Wie zal ons scheiden van de liefde van de Mashiach?” (Romeinen 8:35). “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde G’ds, welke is in Mashiach Yeshua, onze Heer!” (Romeinen 8:37-39). “En in Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom Zijner genade!” (Efeziërs 1:7). “In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de Heilige Geest der belofte!” (Efeziërs 1:13). Blijf dus niet piekeren, wees niet bang en markeer in je Bijbel de tekst waarmee ik deze studie wil afsluiten: “Mijn kinderkens, dit schrijf ik u, opdat gij niet tot zonde komt. En als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voorspraak bij de Vader, Yeshua haMashiach, de rechtvaardige; en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld!” (a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 2:1-2). Amen!

 

Werner Stauder